Lengtes meten
1
a

580 = 10 · 58 en 638 = 11 · 58 .

b

Machiel

10

70

500

750

Saskia

11

77

550

825

c

Ongeveer 910 passen. (Als Saskia er 990 = 90 · 11 zet, zet Machiel er 90 · 10 = 900 .)
Of nauwkeuriger: 1000 × 10 11 909,1 , dus 909 passen.

d

2500 300 = 2200  meter.

e

6 · 580 = 3480 passen.
Korter, want 10.000 : 3480 = 2,87  uur en dat is minder dan 3 uur.

2
a

Niet iedereen maakt even grote passen.

b

Niet iedereen loopt even snel.

c

Dan weet je nog niet hoe lang hij duurt (hoe zwaar hij is).

De meter en zijn verwanten
3
7
a

2 m.

b

12 m.

c

6 m.

d

16 m.

e

8 bij 8 m.

f

ruim 0,2 m (20 cm)

4
8
a

5 mm.

b

260 km.

c

0,3 mm

d

10 bij 15 cm.

e

2,5 cm.

f

300 m.

5

1 hm = 10.000  cm
1 km = 1.000.000  mm
1 km = 100  dam

6
a

7 meter plus 3 dm plus 2 cm

b

8 km plus 8 hm plus 4 dam plus 8 m

3s
7s

De spanwijdte van een mens met gestrekte armen is ongeveer 1,6 meter.
7,3 miljard mensen samen maken een lint van (ongeveer) 12 miljoen km.
Daarmee kom je 300 keer de aarde rond.

4s
8s

Ik teken een zigzaglijn, die 1000 keer het papier in de lengte oversteekt. De stukken van 1 meter komen op een onderlinge afstand van 1 mm.

Oppervlaktes meten
9
a

Links: 4 · 10 = 40 ; Rechts: 5 · 6 = 30 . Samen 70 tegels.

b

120 bij 120 cm

c
10
a
b

Zie onderdeel a.
3,5 cm2

11
a

1 cm2 = 100 mm2
1 dm2 = 100 cm2
1 dm2 = 10.000 mm2

b

1 m2 = 100 dm2
1 km2 = 1.000.000 m2
1 km2 = 100.000.000 dm2

12
14
a

? (van 100 m2 tot ..... m2.)

b

? (van 1 are tot ..... are.)

13
15
a

2,5 hectare is 250 are
Nodig is 250 · 1,25 = 312,5  kg zaaizaad.
Dat kost 312,5 · 0,5 = 156,25  euro.

b

De oppervlakte van het kleed is 14 · 12 = 168  dm2.
Daarvoor zijn nodig: 168 : 12 = 14 knotten katoen.
Die kosten: 14 · 2,25 = 31,50  euro.

12s
14s

Gemakkelijk! Voor elke Nederlander is 30.000  m 3000  m 17.200.000 5,2  m2 beschikbaar.

13s
15s

Er passen 100 100 100 = 1.000.000 blokjes in. Elk blokje heeft een oppervlakte van 6  cm2. Dus totale oppervlakte van de blokjes is 1.000.000 6  cm 2 =   6.000.000  cm 2 , en dat is 600  m2.

Inhouden meten
16
a

15 · 5 · 3 = 225  klontjes.

b

Minder, namelijk 1000 : 225 4,4  gram.

c

4 · 3 = 12  dozen.

d

12 · 225 = 2700  klontjes.

17
a

7 blokjes ; 12 blokjes

b

27 12 = 15 blokjes

c

7 cm3 ; 12 cm3

18
20
a

350 mm3 ; 801 mm3

b

0,5 cm3 ; 1,7 cm3 ; 34,5 cm3

19
21
a

1 cm3 = 1.000 mm3
1 dm3 = 1.000 cm3
1 dm3 = 1.000.000 mm3

b

1 m3 = 1.000.000 cm3
1 dam3 = 1.000 m3
1 dam3 = 1.000.000.000 cm3

18s
20s

110 80 0,08 = 704  m3 water

19s
21s

Dat is 1.000.000.000 blokjes van 1 mm hoog, dat is 1.000.000.000 mm, en dat is 1000 km.

22
23
a

? (tussen 300 m3 en 900 m3)

? (tussen 0,3 dam3 en 0,9 dam3)

b

20 in de lengte, 6 in de breedte en 30 in de hoogte.
Dus 20 · 6 · 30 = 3600 kisten.

c

Eén steen is 20 · 10 · 5 = 1000  cm3.
1000 stenen is 1.000.000.000 cm3 = 1000 dm3 = 1 m3
Het past dus precies.

d

De voegen tussen de stenen hebben ook een oppervlakte.

e

Ongeveer 1500 stenen.

22s
23s

De oppervlakte is 1,6  miljoen km 3 : 0,011  km 145  miljoen km 2 .