Het inproduct nader bekeken
1
a

Dat de oppervlaktes van de twee rechthoeken gelijk zijn.

b

De oppervlakte links is: P Q cos ( α ) b en rechts: P Q cos ( β ) a .
Zowel cos ( α ) a als cos ( β ) b is gelijk aan de lengte van de hoogtelijn uit C van driehoek A B C .

2
a

| a | = a 1 2 + a 2 2 , | b | = b 1 2 + b 2 2 en A B = ( a 1 b 1 ) 2 + ( a 2 b 2 ) 2 .

b

Werk de haakjes weg. Aan beide kanten valt a 1 2 + a 2 2 + b 1 2 + b 2 2 tegen elkaar weg.
Als je vervolgens beide kanten van de gelijkheid door 2 deelt, krijg je het gewenste resultaat.

Hoeken berekenen met het inproduct
3
a

1 , 5

b

In het eerste geval:
| a | = 13 en | b | = 5 , dus cos ( ϕ ) = 1 65 , dus ϕ = 83 ° .
In het tweede geval:
| a | = 10 en | b | = 5 , dus cos ( ϕ ) = 5 50 , dus ϕ = 135 ° exact.

c

cos ( A O B ) = a b | a | | b | = 5 5 10 = 1 2 2 , dus A O B = 45 ° exact.
Eenvoudiger is op te merken dat driehoek A O B een gelijkbenige rechthoekige driehoek is.

d

We berekenen de hoek ϕ tussen de vectoren B A en B C :
( 3 2 ) ( 1 4 ) = 13 17 cos ( ϕ ) , dus cos ( ϕ ) = 11 221 , dus ϕ = 42 ° .

e

cos ( ϕ ) = 5 13 , ϕ = 113 ° ;
cos ( ϕ ) = 1 26 26 , ϕ = 79 ° ;
cos ( ϕ ) = 3 5 , ϕ = 53 ° .

f

Noem de hoek tussen de vectoren ϕ.
Als het inproduct positief is, dan moet cos ( ϕ ) positief zijn, dus is ϕ scherp.
Als het inproduct negatief is, dan moet cos ( ϕ ) negatief zijn, dus is ϕ stomp.

g

10

Projecties
4
a

k heeft richtingsvector ( 2 1 ) , dit is een normaalvector van lijn B P , dus een vergelijking van lijn B P is 2 x + y = 4 .
Het snijpunt van lijn B P met k kun je nu exact berekenen.
Dit geeft: P ( 1 1 5 ,1 3 5 ) .

b

De projectie van A B is A P . De lengte hiervan is: 3 5 5 .

5
a

3 2

b

( 2 1 ) ( 1 1 ) = | ( 2 1 ) | | ( 1 1 ) | cos ( ϕ ) , dus cos ( ϕ ) = 3 10 10 .

c

De lengte van de projectie is A B cos ( ϕ ) = 3 2 3 10 10 = 1 4 5 5 .

6
a

Kies als richtingsvector van lijn A C : ( 1 1 ) . De lengte van de projectie is: | ( 1 1 ) ( 1 2 ) | | ( 1 1 ) | = 1 2 = 1 2 2 .

b

O A = ( 2 0 ) en als richtingsvector van lijn B C kiezen we ( 1 4 ) . De lengte van de projectie is: | ( 2 0 ) ( 1 4 ) | | ( 1 4 ) | = 2 17 = 2 17 17 .

7

De grootte is | ( 5 1 ) ( 2 1 ) | 5 = 2 1 5 5 .

8
a

| ( 0 10 ) ( 1 2 ) | 5 = 4 5 > 8 , dus glijdt het voorwerp naar beneden.

b

| ( 0 10 ) ( 1 1 ) | 2 = 5 2 < 8 , dus glijdt het voorwerp niet naar beneden.

c

| ( 0 - 10 ) ( 1 a ) | 1 + a 2 = 8 10 a = 8 1 + a 2 .
Kwadrateren geeft: 100 a 2 = 64 a 2 + 64 , dus a = 1 1 3 .

9
a

We passen de stelling uit deze paragraaf toe.
Een richtingsvector van lijn B C is ( 3 4 ) . Dus B D = | ( 3 4 ) ( 7 1 ) | | ( 3 4 ) | = 3 2 5 .

b

Met de stelling van Ceva.
A S B S B D C D C M A M = 1 3 2 5 1 3 5 A S B S = 1 , dus A S B S = 8 17 , dus A S = 8 25 A B = 1 3 5 2 .

10
a

-

b

De eerste coördinaat is 1 cos ( ϕ ) en de tweede 1 sin ( ϕ ) .

c

P S Q = ϕ , dus P Q = b sin ( ϕ ) .
Q R = a cos ( ϕ ) .
Het stuk dat droog blijft is P Q + Q R = v e .

d

Maximaal als v en e in elkaars verlengde liggen, dan is tan ( ϕ ) = b a , dus dan is de diagonaal vanuit S van de rechthoek evenwijdig aan de grond.
Minimaal als ϕ = 1 2 π , want dan is de projectie van e op v minimaal, dan staat het blok rechtop op de korte zijde.

11
a

180

b

Geef het punt ( 2,0 ) de naam P .
A C = B C en je ziet met het inproduct: A C B = 90 ° .
Dus tan 1 ( 1 ) = B A C , tan 1 ( 2 ) = C A O en tan 1 ( 3 ) = B A P .
Samen geeft dit de gestrekte hoek bij A .