Verdelen

De balk is verdeeld in tien even grote stukken. Eén van die stukken is zelf ook weer in tienen gedeeld. Een smal stukje dat je dan gekregen hebt is één procent (1%) van de balk.
Eén procent is één honderdste deel.

1
2

Een streep verdeelt een balk in twee stukken. Het stuk links van de streep is 40% van de balk, het rechter stuk is 60% van de balk.

a

Teken net zo'n balk, 7 cm lang, en verdeel die met een streep in twee stukken. Het stuk links van de streep moet ongeveer 25% van de balk zijn (en het stuk rechts dus 75%). Niet meten, maar op het oog schatten.

b

Teken nog zo'n balk en verdeel die in twee stukken van ongeveer 34% en 66%. Niet meten, maar op het oog schatten.

Omdat de balk 70 mm lang is, kun je ook precies berekenen hoe groot de stukken zijn.

c

Bereken hoe lang 34% van de balk is. Schrijf je berekening op.
Meet na of je de streep bij vraag b ongeveer goed gezet had.

We gaan de balk nu in drie stukken verdelen. Het linker stuk moet 12% van de balk worden en het rechter stuk 55%.

d

Teken een balk van 70 mm en verdeel die zo precies mogelijk in drie van zulke stukken. Schrijf ook de berekeningen op die je daarvoor gemaakt hebt.

1s
2s

40% van de Nederlanders woont in de stad. Van de stadsbevolking is 20% allochtoon. Van de allochtonen is 30% jonger dan 20 jaar.
Hoeveel procent van de Nederlanders woont in de stad, is allochtoon en jonger dan 20 jaar?

Voorbeeld
Stel dat je 12% van 70 wilt uitrekenen. Dat kan in twee stappen:

  • 1% van 70 is 0,7,
  • 12% is 12 keer zo veel, dus 12 0,7 = 8,4 .

3
7

Bereken:

a

13 % van 70

b

87 % van 70

c

37 1 2 % van 400

d

62 1 2 % van 400

4
8

Onder de 875 leerlingen van een school wordt een enquete gehouden over het gemengd gymmen van jongens en meisjes. 48,0% van de leerlingen vindt gemengd gymmen een goed idee, 38,4% is er tegen en de rest heeft geen mening.

a

Hoeveel procent van de leerlingen heeft geen mening?

b

Bereken, met je rekenmachine, hoeveel leerlingen voor gemengd gymmen zijn, hoeveel er tegen zijn en hoeveel geen mening hebben.

Op de school zitten 425 meisjes en 450 jongens. Van de meisjes was 44% tegen gemengd gymmen, 40% was er voor en 16% had geen mening.

c

Hoeveel meisjes zijn tegen gemengd gymmen, hoeveel zijn er voor en hoeveel hebben geen mening?

d

Maak een tabel voor de meisjes/jongens die vóór zijn/geen mening hebben/tegen zijn; zoals in het voorbeeld. Je hebt al uitgerekend dat er in totaal 420 leerlingen voor gemengd gymmen zijn. Dat aantal is al in de tabel geschreven.
Schrijf ook de andere aantallen die je hebt uitgerekend in de tabel.
Je kunt nu ook gemakkelijk de aantallen invullen die je nog niet had uitgerekend. Doe dat.

5
9

De twee pizza's zijn allebei aangesneden.

Uit de linker pizza is een stuk van 10% gesneden. De rest wordt verdeeld in drie even grote stukken.

a

Hoeveel procent van de hele pizza is elk van die stukken?

b

Ook uit de rechter pizza is een stuk gesneden. Hoeveel procent is dat stuk van de hele pizza, schat je: 26%, 46%, 66% of 86%?

c

Schat hoeveel procent van elk van de volgende pizza's is aangegeven. Dat kun je niet zo heel precies doen. Maar je mag niet meer dan 5% van het juiste antwoord af zitten.

6
10

Een tuin is verdeeld in vier stukken: een gazon (G), een terras (T), bloemperken (B) en een vijver (V). De tuin is op schaal getekend.

Schat hoeveel procent van de totale oppervlakte in beslag wordt genomen door G, T, B en V. Kies steeds uit 10%, 20%, 30%, 40% of 50%.

3s
7s

30% van de leerlingen op school A is meisje en 50% van de leerlingen op school B is meisje. School A is 3 keer zo groot als school B. De scholen fuseren.

Hoeveel procent van de nieuwe school is meisje?

4s
8s

Een komkommer bestaat voor 94% uit water.
Hij ligt een hele dag in de zon en de helft van het water is verdampt.

Hoeveel procent van de komkommer bestaat nu nog uit water?

5s
9s

20% van de automobilisten is vrouw. Van de vrouwen rijdt 80% te hard, van de mannen rijdt 30% te hard.

Hoeveel procent van de snelheidsovertreders is vrouw?

6s
10s

Een winkelier verhoogt zijn prijzen met 20%.
Een maand later verlaagt hij zijn prijzen met 20%.

Is hij nu weer even duur als daarvoor? Wat is het verschil?

11

Maartje heeft € 475 op een spaarrekening staan. Ze krijgt 5% rente per jaar. De rente wordt na een jaar aan de 475 euro toegevoegd.

a

Hoeveel heeft ze over een jaar op haar rekening staan?

b

Hoeveel heb je na een jaar op je rekening als er nu € 680 op staat en je 4,6% rente per jaar krijgt?

Pieter heeft € 2250 op een spaarrekening staan. Hij krijgt 5,5% rente per jaar.

c

Hoeveel heeft hij over een jaar op zijn rekening?

d

En over twee jaar?

e

Denk je dat er een bank is waar Pieter na twee jaar € 3050 zou hebben? Schrijf ook op waarom jij dat denkt.
Zie vraag 1 van de quiz.

Je kunt het bedrag van vraag opgave 11a in twee stappen uitrekenen:

  • eerst de rente uitrekenen:

    5% van 475 is 5 4,75 = 23,75 ,

  • en dan de rente bij het oude bedrag optellen:
    475 + 23,75 = 498,75 .

Meer van deze opgaven vind je in het programma Basisvorming 1 van de Wageningse Methode.